Pauliana-actie van de curator: wanneer transacties worden teruggedraaid

Hoe de curator bij faillissement transacties uit de aanloopperiode kan aantasten, en hoe u dat risico beperkt.

Laatst bijgewerkt: 12 augustus 2026 · Geschreven en juridisch gecontroleerd door mr. M. Kumar, advocaat

In het kort

Bij een faillissement kan de curator transacties die de gefailleerde in de aanloop heeft verricht, terugdraaien. Dit instrument heet de faillissementspauliana (artikelen 42-50 Faillissementswet). Het is bedoeld om benadeling van schuldeisers te voorkomen. Verkopen onder de marktprijs aan gelieerde partijen, dividenduitkeringen vlak voor faillissement, of zekerheidsstellingen voor oude schulden lopen het grootste risico. De wetenschap-eis is in veel gevallen versoepeld via wettelijke vermoedens.

Wat de pauliana is en waarom hij bestaat

De pauliana is een eeuwenoud rechtsfiguur. De naam stamt uit het Romeinse recht; jurist Paulus vorderde dat schuldenaren transacties die schuldeisers benadelen, niet ongedaan kunnen blijven omdat het faillissement nog niet is uitgesproken. Het Nederlandse recht kent twee varianten.

De buitenrechtelijke pauliana (artikel 3:45 BW) geldt buiten faillissement. Een individuele schuldeiser kan een transactie van zijn schuldenaar aantasten wanneer die transactie hem benadeelt. Dit is een instrument voor incassopraktijk en aansprakelijkstellingen tegen DGA's bij vermogensvlucht.

De faillissementspauliana (artikelen 42-50 Faillissementswet) geldt zodra een faillissement is uitgesproken. De curator kan transacties uit de aanloopperiode aantasten om benadeling van de gezamenlijke schuldeisers terug te draaien. Dit cluster behandelt deze tweede variant, omdat die fiscaal en juridisch het meest impact heeft op DGA's en ondernemers.

Waarom het instrument bestaat. Een onderneming die op een faillissement afkoerst, staat soms onder druk om assets te beschermen, gunst te bewijzen aan bevriende schuldeisers, of vermogen veilig te stellen voor de eigenaar. De wetgever heeft willen voorkomen dat deze gedragingen schuldeisers benadelen. De pauliana stelt de curator in staat om de financiële situatie als het ware terug te zetten naar het moment voor de benadelende transactie.

Wat kan worden aangetast. Vrijwel elke rechtshandeling van de gefailleerde: verkoop van activa, betaling van schulden, dividenduitkeringen, schenkingen, het stellen van zekerheid, het aangaan van leningen, en zelfs handelingen via gelieerde partijen. De wet onderscheidt twee categorieën, met verschillende eisen.

Of van benadeling sprake is, wordt afgemeten aan de rangorde van schuldeisers bij faillissement: vergeleken wordt wat elke schuldeiser zonder de transactie zou hebben ontvangen.

Twee soorten: onverplichte versus verplichte rechtshandelingen

Het scharnierpunt van de pauliana is het onderscheid tussen onverplichte en verplichte rechtshandelingen.

Onverplichte rechtshandelingen (artikel 42 Faillissementswet). Dit zijn handelingen die de gefailleerde niet wettelijk of contractueel verplicht was te verrichten. Voorbeelden: verkoop van een bedrijfspand aan een gelieerde partij, dividenduitkering, schenking aan kinderen, het stellen van zekerheid voor een nieuwe lening, of een beleidsmatige beslissing om bepaalde leveranciers te betalen.

Voor deze categorie geldt geen vaste termijn waar de curator naar terug kan kijken. In theorie kan elke onverplichte rechtshandeling die benadelend uitwerkt, worden aangetast, hoewel de praktijk zich meestal beperkt tot transacties uit de twaalf maanden voor faillissement.

Verplichte rechtshandelingen (artikel 47 Faillissementswet). Dit zijn handelingen die de gefailleerde wettelijk of contractueel moest verrichten. Voorbeelden: betaling van een opeisbare factuur, betaling van loon aan werknemers, voldoen aan een huurplicht, of nakomen van een leveringsverplichting.

Voor deze categorie geldt een veel kortere kijktermijn: in beginsel alleen de periode tussen het ontstaan van het faillissementsverzoek en het uitspreken van het faillissement (de zogenaamde verdachtperiode). De drempel ligt hier ook hoger: alleen wanneer de schuldeiser wist dat het faillissement aanstaande was, of wanneer er sprake is van overleg met de gefailleerde gericht op bevoordeling.

Het verschil in praktische impact. Onverplichte rechtshandelingen vormen het grootste risico voor DGA's. Een dividenduitkering aan de aandeelhouder, een verkoop van vastgoed aan een gelieerde holding, of een schenking aan een familielid: dit zijn allemaal onverplichte handelingen waarbij de curator een sterke positie heeft om aan te tasten. Verplichte rechtshandelingen zijn lastiger aan te tasten, behalve in de specifieke verdachtperiode.

De wetenschap-eis en de wettelijke vermoedens

Voor een succesvolle paulianeuze actie moet de curator aantonen dat sprake was van benadeling van schuldeisers en dat de betrokken partijen wisten of behoorden te weten dat hun handeling deze benadeling tot gevolg zou hebben.

De drie elementen van de wetenschap-eis.

Benadeling. De handeling heeft schuldeisers daadwerkelijk benadeeld, in die zin dat zij door de handeling minder verhaal hebben.

Wetenschap aan de zijde van de gefailleerde. De gefailleerde wist of behoorde te weten dat de handeling tot benadeling zou leiden.

Wetenschap aan de zijde van de wederpartij. De wederpartij wist of behoorde te weten dat de handeling tot benadeling zou leiden. Voor schenkingen geldt deze eis niet.

Wettelijke vermoedens (artikel 43 Faillissementswet). De wetgever heeft de positie van de curator versterkt door een aantal vermoedens. In specifieke situaties wordt vermoed dat beide partijen wisten dat de handeling tot benadeling zou leiden. De curator hoeft dan niet meer te bewijzen wat de partijen wisten; de partijen moeten aantonen dat zij niet wisten of behoorden te weten.

Transactie tussen gelieerde partijen. Wanneer de gefailleerde een rechtshandeling heeft verricht met een gelieerde partij (echtgenoot, kinderen, broers en zussen, een vennootschap waarin hij overwegende zeggenschap had, of bestuurders en commissarissen van die vennootschap) binnen het jaar voor faillissement, wordt vermoed dat beide partijen wisten van de benadeling.

Transactie tegen een onevenredige tegenprestatie. Wanneer de tegenprestatie van de wederpartij in geen verhouding staat tot wat de gefailleerde gaf (bijvoorbeeld een verkoop tegen een prijs ver onder de marktwaarde), wordt benadeling vermoed.

Voldoening van een niet-opeisbare schuld of zekerheidstelling voor een oude schuld. Wanneer de gefailleerde binnen het jaar voor faillissement een nog niet opeisbare schuld voldeed, of zekerheid stelde voor een schuld die al bestond zonder dat zekerheid was bedongen, treedt het vermoeden in.

Praktische impact. Door deze vermoedens hoeft de curator in veel typische situaties geen concreet bewijs te leveren van wat de gefailleerde of de wederpartij wist. De bewijslast keert om: de wederpartij moet aantonen dat zij niet wist en niet behoorde te weten. In de praktijk is dit een aanzienlijke drempel.

Veelvoorkomende situaties

Vier patronen komen vaak terug in pauliana-procedures.

Verkoop van activa aan een gelieerde partij tegen een te lage prijs. Een veelvoorkomende valkuil voor DGA's. Een onderneming in problemen verkoopt vastgoed, machines, of voorraden aan een andere BV in dezelfde groep, vaak voor een prijs onder de marktwaarde. De gedachte achter de transactie is doorgaans: redding van waardevolle activa uit de werkmaatschappij. Het effect: schuldeisers krijgen minder verhaal in het faillissement. De curator zal vrijwel zeker een pauliana inzetten.

Dividenduitkering vlak voor faillissement. Wanneer een werkmaatschappij dividend uitkeert aan haar holding, en daarmee aan de DGA, vlak voordat het faillissement wordt aangevraagd, heeft dit benadeling van schuldeisers tot gevolg. De curator kan deze uitkering aantasten. Dit kan ook gevolgen hebben buiten de pauliana: de bestuurder kan onder de uitkeringsregels van artikel 2:216 BW aansprakelijk worden gesteld voor onverantwoorde uitkeringen.

Zekerheidsstelling voor een oude schuld. Een onderneming die in problemen raakt, geeft een leverancier of de bank zekerheid (pandrecht, hypotheek) voor een schuld die al bestond. Hiermee verkrijgt die ene schuldeiser een betere positie ten opzichte van de overige schuldeisers. Bij faillissement kan de curator deze zekerheid aantasten, met als gevolg dat de schuldeiser zijn voorrang verliest.

Schenking of overdracht aan familieleden. Een DGA die voelt dat het bedrijf richting faillissement gaat, schenkt vermogen aan zijn kinderen of partner. Een schenking is per definitie zonder tegenprestatie en valt vrijwel altijd onder de pauliana. De wettelijke vermoedens maken een verweer hier extra moeilijk. Voor een schenking aan een echtgenoot of geregistreerd partner geldt zelfs een verzwaarde regeling.

Selectief betalen van schuldeisers. Wanneer de gefailleerde in de aanloop naar faillissement bewust bepaalde schuldeisers volledig betaalt (bijvoorbeeld de bank, of gelieerde partijen) terwijl andere onbetaald blijven, kan dit een paulianeuze handeling zijn. Voor verplichte rechtshandelingen geldt het strengere artikel 47 Faillissementswet, met een hogere drempel voor de curator, maar in samenspraak met de gefailleerde gericht op bevoordeling kan ook deze categorie worden aangetast.

Dezelfde patronen, van dividenduitkeringen tot het wegsluizen van activa, voeden naast de pauliana vaak ook een claim wegens bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement, gericht op het privévermogen van het bestuur.

Verweren tegen een paulianeuze actie

Vier hoofdverweren komen vaak in beeld.

Geen benadeling. De wederpartij onderbouwt dat de handeling de schuldeisers niet feitelijk heeft benadeeld. Bijvoorbeeld omdat de tegenprestatie marktconform was, of omdat de schuldeisers zonder de handeling niet meer of minder verhaal zouden hebben gehad. Een onafhankelijke taxatie van de marktwaarde op het moment van de transactie is hier het belangrijkste bewijsmiddel.

Geen wetenschap aan de zijde van de wederpartij. Wanneer de wettelijke vermoedens niet van toepassing zijn, moet de curator bewijzen dat de wederpartij wist of behoorde te weten van de benadeling. Een wederpartij die kan aantonen dat zij geen inzicht had in de financiële positie van de gefailleerde, en geen reden had om die te wantrouwen, kan dit verweer voeren. Dit verweer is moeilijker bij gelieerde partijen, omdat daar de vermoedens spelen.

Geen wetenschap aan de zijde van de gefailleerde. De gefailleerde zelf was niet op de hoogte van de aanstaande financiële problemen. Dit verweer slaagt zelden, omdat de bestuurder doorgaans verondersteld wordt op de hoogte te zijn van de financiële positie van de eigen onderneming.

Termijn verstreken. De vordering tot vernietiging verjaart drie jaar nadat de benadeling van de schuldeisers is ontdekt, op grond van artikel 3:52 lid 1 sub c BW. Het aanvangsmoment is dus de ontdekking en niet de faillietverklaring, ook al vallen die momenten in de praktijk vaak samen of kort na elkaar. Een verweer dat op deze termijn wordt gebouwd vraagt daarom onderzoek naar het moment waarop de curator de benadeling redelijkerwijs kon vaststellen. Let daarbij op een veelgemaakte verwarring: de periode van een jaar die in dit verband wordt genoemd, is geen kortere vorderingstermijn maar het bewijsvermoeden van artikel 43 Fw. Is de rechtshandeling verricht binnen een jaar voor de faillietverklaring, dan wordt de voor de pauliana vereiste wetenschap van benadeling wettelijk vermoed, behoudens tegenbewijs.

Praktisch belang van documentatie. In alle verweren is goede documentatie cruciaal. Een onafhankelijke taxatie ten tijde van de transactie, een onderbouwing van de financiële positie van de onderneming, en bestuursnotulen die de overwegingen vastleggen, vormen samen het verhaal dat de zakelijkheid van de transactie onderbouwt.

Praktische tips voor DGAs en ondernemers

Bij financiële problemen: voorzichtig zijn met transacties met gelieerde partijen. Elke transactie tussen de werkmaatschappij en een holding, vastgoed-BV, of andere groepsmaatschappij komt onder vergrootglas wanneer faillissement volgt. Marktconforme prijsstelling, schriftelijke overeenkomsten, en onafhankelijke taxatie zijn dan minimumvoorwaarden, geen luxe.

Documenteer de financiële positie zorgvuldig in moeilijke periodes. Wanneer de onderneming in zwaar weer komt, is een actuele liquiditeitsanalyse, een gesprekken-archief met adviseurs, en een vastlegging van bestuursbesluiten van groot belang. Deze stukken vormen achteraf het bewijs dat het bestuur op een redelijke wijze heeft geopereerd.

Voorkom dividenduitkeringen of schenkingen wanneer faillissement dreigt. Het juridische instinct is doorgaans om vermogen veilig te stellen. Het effect bij faillissement is omgekeerd: deze handelingen vormen vrijwel zeker pauliana-doel, met als gevolg dat het vermogen alsnog terugvloeit naar de boedel, plus mogelijk aansprakelijkheid van de bestuurder voor onverantwoorde uitkering.

Bij dreigende insolventie: overweeg WHOA voordat individuele transacties worden verricht. Een gestructureerd herstructureringstraject biedt fiscale en juridische helderheid. Ad hoc-transacties in de aanloop creëren juist risico. De drempel van WHOA is hoger, maar het traject biedt wel zekerheid die individuele transacties niet bieden.

Werk met partijen die de pauliana-praktijk kennen. Bij financiële problemen is een advocaat met restructuring- en insolventie-ervaring waardevoller dan een algemeen ondernemingsadviseur. Een vroegtijdig advies kan helpen om transacties te structureren op een manier die later niet als paulianeus kan worden aangemerkt, en kan de aansprakelijkheidsrisico's voor het bestuur beperken.

Bij een paulianeuze actie tegen u: snel reageren. Wanneer de curator een pauliana-vordering instelt, is een tijdige en onderbouwde reactie cruciaal. Termijnen voor verweer zijn beperkt, en de feitelijke bewijspositie wordt vaak in het eerste schrijven al vastgesteld. Een advocaat met procedurele ervaring in de Faillissementswet is hier essentieel.

Een overzicht van de saneringsroutes die deze zekerheid vooraf bieden, van stille sanering tot dwangakkoord, vindt u in ons cluster herstructurering buiten faillissement.

Bronnen en vindplaatsen

Veelgestelde vragen

Wat is een paulianeuze handeling?

Een paulianeuze handeling (artikel 42 en volgende Faillissementswet) is een rechtshandeling die een schuldenaar onverplicht verricht en die zijn schuldeisers benadeelt. Voorbeelden: vlak voor faillissement een pand verkopen voor te lage prijs, schulden aan familie selectief betalen, of activa overhevelen naar een andere BV. De curator kan deze handelingen vernietigen en het overgedragene terugvorderen.

Wat is een pauliana-actie van de curator?

Een vordering van de curator tot terugdraaien van transacties die de gefailleerde in de aanloop naar het faillissement heeft verricht en die schuldeisers hebben benadeeld. Onverplichte rechtshandelingen (artikel 42 Fw, zoals dividenduitkering, schenking, verkoop aan gelieerde partij tegen lage prijs) zijn doelwit nummer een. Wettelijke vermoedens versterken de positie van de curator bij gelieerde partijen en bij voldoening van niet-opeisbare schulden. Vooraf juridisch advies bij dreigende insolventie voorkomt latere paulianeuze claims. Lees verder: de pauliana-actie van de curator.

Wat moet ik in de eerste 14 dagen na faillissement doen?

Vier prioriteiten. Volledige medewerking aan de curator: weigering kan bestuurdersaansprakelijkheid versterken. Eigen administratie en e-mail veiligstellen voor eventueel verweer. Beoordeel of doorstart-mogelijkheden bestaan en met welke bieder. Beoordeel persoonlijke aansprakelijkheidsrisico's met een advocaat. Onze notitie "De eerste 14 dagen na een faillissement" beschrijft het in detail.

Hoe ver kan de curator terugkijken bij een pauliana-actie?

Voor onverplichte rechtshandelingen geldt geen vaste terugkijktermijn; in de praktijk draait het vooral om de twaalf maanden voor het faillissement. Binnen dat jaar geldt in de gevallen van artikel 43 Faillissementswet, zoals transacties met gelieerde partijen of een onevenredige tegenprestatie, een bewijsvermoeden: wetenschap van benadeling wordt vermoed, behoudens tegenbewijs. Voor verplichte rechtshandelingen, zoals betaling van een opeisbare factuur, is de eerste grond, wetenschap van de faillissementsaanvraag, in beginsel beperkt tot de periode tussen faillissementsverzoek en faillietverklaring (artikel 47 Fw); de tweede grond, overleg tussen schuldenaar en schuldeiser gericht op begunstiging, kent geen wettelijke tijdsgrens. De vordering tot vernietiging verjaart in de regel drie jaar nadat de benadeling is ontdekt (artikel 3:52 BW), niet drie jaar na de faillietverklaring.

Lees ook over het bredere onderwerp

Insolventie & herstructurering →
Portretfoto van mr. Mukesh Kumar
mr. M. Kumar

Advocaat ondernemingsrecht en vastgoed in Amsterdam Zuidas. Schrijft deze kennisbank voor ondernemers die eerst zelf willen begrijpen waar ze staan.

Over mr. Kumar · Plan een kosteloos eerste gesprek

Verwante artikelen

Financiële druk of een naderend faillissement?

Hoe eerder u belt, hoe meer opties er zijn. In een kosteloos eerste gesprek hoort u welke routes nog openstaan.