Home › Vastgoedrecht › Huurovereenkomst bedrijfsruimte opzeggen: termijnen en gronden
Huurovereenkomst bedrijfsruimte opzeggen: termijnen en gronden
Wat een verhuurder moet regelen voordat de opzeggingsbrief de deur uit gaat
In het kort
Welk regime op het gehuurde van toepassing is bepaalt vrijwel alles. Bij 290-bedrijfsruimte geldt een gesloten stelsel van opzeggingsgronden en moet de opzegging per exploot of aangetekende brief met vermelding van de gronden, op straffe van nietigheid. Bij 230a-bedrijfsruimte bestaat geen opzeggingsregime, alleen ontruimingsbescherming. Een verkeerde inschatting van het regime maakt de opzegging ongeldig, ook wanneer de huurder de reden kon vermoeden.
Welk regime geldt, en waarom dat de opzegging bepaalt
De eerste vraag bij elke beëindiging is niet welke termijn geldt. De eerste vraag is welk regime op het gehuurde van toepassing is, want daarvan hangt af of u gronden moet aanvoeren en of u aan een gesloten stelsel bent gebonden.
Bij bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW is de bescherming van de huurder van dwingend recht. Artikel 7:291 lid 1 BW bepaalt dat van afdeling 7.4.6 niet ten nadele van de huurder mag worden afgeweken. Een afwijkend beding is niet zonder meer geldig en behoeft goedkeuring van de rechter.
Bij overige bedrijfsruimte geldt artikel 7:230a BW. Daar bestaat geen stelsel van opzeggingsgronden. De huurder kan na het einde van de huurovereenkomst verlenging van de ontruimingstermijn verzoeken, en verder geldt wat partijen zijn overeengekomen. Ook deze regeling is dwingend recht: lid 9 sluit afwijking ten nadele van de huurder uit.
De kwalificatie zelf is een zelfstandig onderwerp. Zie daarvoor het verschil tussen 290- en 230a-bedrijfsruimte. Voor de verhuurder is het praktische gevolg dat een contractuele aanduiding als kantoor- of overige ruimte de huurder zijn bescherming niet ontneemt wanneer het gehuurde feitelijk aan de criteria van artikel 7:290 BW voldoet.
Opzegging van 290-bedrijfsruimte: gronden per fase
Artikel 7:296 lid 1 BW geeft tegen het einde van de eerste termijn twee gronden. De eerste is dat de bedrijfsvoering van de huurder niet is geweest zoals een goed huurder betaamt. De tweede is dat de verhuurder het verhuurde persoonlijk en duurzaam in gebruik wil nemen en het daartoe dringend nodig heeft, waarbij onder duurzaam gebruik ook renovatie wordt begrepen die zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is.
Vervreemding van de bedrijfsruimte valt uitdrukkelijk niet onder duurzaam gebruik. Verkoop van het pand is dus geen opzeggingsgrond.
Verhuur aan een derde valt er evenmin onder. De Hoge Raad heeft beslist dat een opzegging om het verhuurde aan een ander te kunnen verhuren niet kan worden aangemerkt als een opzegging om het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen. Een ruime uitleg zou de bescherming uithollen die lid 1 de huurder tegen het einde van de eerste termijn geeft. Dat de verhuurder met die nieuwe verhuring een eigen bedrijfseconomisch belang dient, maakt dat niet anders.
Artikel 7:296 lid 2 BW bevat een beperking die in de praktijk over het hoofd wordt gezien. Is de verhuurder rechtsopvolger van een vorige verhuurder en niet diens echtgenoot, geregistreerd partner of bloedverwant, dan is een op dringend eigen gebruik gebaseerde vordering niet toewijsbaar binnen drie jaar na de schriftelijke kennisgeving van de rechtsopvolging aan de huurder. Het aanvangsmoment is dus die kennisgeving, niet de eigendomsoverdracht.
Tegen het einde van latere termijnen komt daar op grond van lid 3 een redelijke belangenafweging bij. Lid 4 voegt verplichte toewijzingsgronden toe, waaronder de situatie dat de huurder een redelijk aanbod tot een nieuwe huurovereenkomst afwijst en de situatie dat de verhuurder een aan het gehuurde toegedeelde omgevingsplanfunctie wil verwezenlijken.
Over de reikwijdte van de wachttermijn heeft de Hoge Raad beslist dat lid 2 uitsluitend betrekking heeft op opzeggingen tegen het einde van de eerste termijn. Bij een opzegging tegen het einde van de verlengde termijn op grond van de belangenafweging geldt de wachttermijn niet. Voor de situatie waarin via lid 4 alsnog een grond van lid 1 aan de orde is, wijst de wettekst een andere richting op dan het arrest en is dit punt niet met een dragende beslissing uitgemaakt. Behandel dit als een openstaand risico, niet als vaststaand recht.
Bij toewijzing van de beëindigingsvordering kan de rechter op grond van artikel 7:297 BW een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten van de huurder toekennen. Reken die post mee in de businesscase voordat u opzegt.
Opzegging van 230a-bedrijfsruimte en de ontruimingsbescherming
Voor overige bedrijfsruimte kent de wet geen opzeggingsgronden en geen minimumduur. De beëindiging volgt de huurovereenkomst zelf.
De bescherming die de huurder wel heeft, is de verlenging van de ontruimingstermijn. Artikel 7:230a lid 1 BW bepaalt dat het verzoek moet worden ingediend binnen twee maanden na het tijdstip waartegen schriftelijk ontruiming is aangezegd. Het aanvangsmoment is dus de aangezegde ontruimingsdatum, niet de datum van de brief. Dat onderscheid bepaalt of een verzoek ontvankelijk is.
De bescherming ontbreekt wanneer de huurder zelf heeft opgezegd, met de beëindiging heeft ingestemd of tot ontruiming is veroordeeld wegens niet nakomen van zijn verplichtingen.
De verlenging kan worden uitgesproken voor ten hoogste een jaar na het eindigen van de overeenkomst en kan op verzoek van de huurder nog tweemaal met ten hoogste een jaar worden verlengd. Een vervolgverzoek moet uiterlijk een maand voor het verstrijken van de lopende termijn worden ingediend.
Voor de verhuurder is één punt bepalend voor het procesrisico: tegen de beschikking op het verzoek staat geen hogere voorziening open. Wat de kantonrechter beslist, staat vast. Een zwakke voorbereiding is hier dus niet in hoger beroep te repareren.
Vormvereisten, en waarop een opzegging in de praktijk sneuvelt
Artikel 7:293 lid 2 BW schrijft voor dat de opzegging geschiedt bij exploot of bij aangetekende brief, met een termijn van ten minste een jaar. Artikel 7:294 BW bepaalt dat een opzegging door de verhuurder nietig is indien zij niet de gronden vermeldt die tot de opzegging hebben geleid.
Die eis is hard. De strekking is dat de huurder aan de hand van de vermelde gronden moet kunnen bepalen of hij berust of gaat procederen. Het is niet aan de huurder om te raden welke grond bedoeld is, ook niet wanneer de achterliggende reden voor de hand ligt.
Drie fouten komen steeds terug. De eerste is een brief zonder gronden. De tweede is adressering aan de verkeerde entiteit, bijvoorbeeld aan een moedermaatschappij in plaats van aan de huurder zelf. De derde is een verkeerde inschatting van het regime, waarbij de verhuurder uitgaat van 230a-ruimte en daarom geen gronden noemt, terwijl het gehuurde feitelijk onder artikel 7:290 BW valt.
Op grond van artikel 7:295 lid 2 BW kan de verhuurder zijn vordering uitsluitend baseren op de in de opzegging vermelde gronden. De feitelijke onderbouwing van diezelfde grond mag later worden aangevuld of gewijzigd. Een nieuwe grond introduceren kan niet. Formuleer de opzegging daarom breder dan strikt nodig lijkt, binnen de grenzen van wat u kunt onderbouwen.
Duur, verlenging en tussentijdse afwijkingen
Artikel 7:292 BW geeft de hoofdregel: vijf jaar, of de langere overeengekomen duur, met verlenging tot in totaal tien jaar. Is de eerste termijn langer dan vijf jaar, dan wordt de tweede termijn zoveel korter als de eerste langer was.
Loopt de overeenkomst voor onbepaalde tijd door, dan kan de verhuurder opzeggen op grond van artikel 7:300 lid 2 BW. Ook dan moeten de gronden worden vermeld, omdat lid 3 artikel 7:294 BW van toepassing verklaart, en zijn de artikelen 7:295 tot en met 7:299 BW van overeenkomstige toepassing. Onbepaalde tijd betekent dus niet vrij opzegbaar.
Artikel 7:300 BW regelt wat daarna gebeurt. Bij een duur van tien jaar of langer eindigt de overeenkomst niet automatisch, maar uitsluitend door opzegging tegen het einde van de huurtijd. Wijst de rechter een beëindigingsvordering af, dan kan op grond van lid 4 gedurende ten minste een jaar niet opnieuw worden opgezegd, gerekend vanaf het onherroepelijk worden van die beslissing. De rechter kan die termijn verlengen.
Artikel 7:301 BW bevat de uitzondering voor huurovereenkomsten van twee jaar of korter. Daarop is de beschermingsregeling niet van toepassing. Wordt het gebruik na die twee jaar feitelijk voortgezet, dan converteert de overeenkomst van rechtswege naar het gewone vijfjarige regime, met alle bescherming die daarbij hoort.
Een langere opzegtermijn dan het wettelijke jaar kan geldig worden overeengekomen, omdat dat in het voordeel van de huurder is. Een kortere termijn is nietig wegens strijd met dwingend recht, tenzij de rechter het beding heeft goedgekeurd.
Bij een breakoptie is de vormvraag het risico. Leg expliciet vast of voor de uitoefening dezelfde vormvereisten gelden als voor een gewone opzegging, en op welk moment de mededeling de wederpartij moet hebben bereikt. Onduidelijkheid daarover levert een uitlegdiscussie op die de hele beëindiging kan ophouden.
Voor het aanpassen van de huurprijs binnen een lopende verhouding is de opzegging niet het instrument. Zie daarvoor de procedure van artikel 7:303 BW.
Als de huurder niet instemt: de procedure
Artikel 7:295 lid 1 BW bepaalt dat een opgezegde huurovereenkomst van rechtswege van kracht blijft totdat de rechter onherroepelijk over de beëindiging heeft beslist, tenzij de huurder schriftelijk in de beëindiging toestemt.
Lid 2 geeft de vervolgstap. Heeft de verhuurder zes weken na de opzegging geen schriftelijke mededeling van instemming ontvangen, dan kan hij op de in de opzegging vermelde gronden vorderen dat de rechter het tijdstip vaststelt waarop de overeenkomst eindigt. Blijft die vordering uit, dan is de huurovereenkomst niet geëindigd en loopt zij door.
Huurzaken worden ongeacht het beloop van de vordering door de kantonrechter behandeld, op grond van artikel 93 sub c Rv. Bij 230a-ruimte verloopt de ontruimingsbescherming via een verzoekschrift bij dezelfde rechter.
Reken met de doorlooptijd. De rechter kan het einde van de huurovereenkomst niet vaststellen op een datum die voor zijn eigen uitspraak ligt. Elke maand procedure schuift de einddatum dus mee op, ook wanneer u tegen een veel eerdere datum had opgezegd.
Voor de bredere procedurele context, zie burgerlijk procesrecht.
Wat de verhuurder vooraf vastlegt
Kwalificeer het gehuurde bij aanvang en leg vast waarop die kwalificatie rust, inclusief de feitelijke inrichting en het beoogde gebruik. Wat partijen bij het sluiten voor ogen stond weegt zwaar, en de contractuele bestemmingsomschrijving alleen is niet beslissend.
Een afwijkend beding dat de huurder wezenlijk raakt, houdt zonder goedkeuring van de rechter geen stand. Artikel 7:291 BW maakt goedkeuring vooraf mogelijk. Het verzoek vermeldt de gronden en de tekst van het beding, en goedkeuring wordt verleend wanneer het beding de rechten van de huurder niet wezenlijk aantast of de maatschappelijke positie van de huurder bescherming redelijkerwijs niet vergt. Voor afwijking van artikel 7:307 BW is deze route uitgesloten.
Bij een voorgenomen beroep op dringend eigen gebruik legt u de wil tot gebruik vast voordat de opzegging uitgaat. Die wil moet bestaan op het moment van opzegging en nog steeds op het moment van de uitspraak. Een besluit dat pas tijdens de procedure vorm krijgt, is kwetsbaar.
Verwacht u discussie over de kwalificatie of over de gronden, laat de opzegging dan opstellen voordat zij de deur uit gaat. Een nietige opzegging is niet te repareren en kost een volledige huurtermijn.
Veelgestelde vragen
Welke opzegtermijn geldt bij huur van bedrijfsruimte?
Dat hangt af van het regime. Voor 290-bedrijfsruimte schrijft artikel 7:293 lid 2 BW een termijn van ten minste een jaar voor, terug te rekenen vanaf het einde van de huurtermijn waartegen wordt opgezegd. Die termijn is een minimum: contractueel verlengen mag, verkorten niet, want dat is strijdig met dwingend recht.
Voor 230a-bedrijfsruimte kent de wet geen opzegtermijn. Daar geldt wat partijen zijn overeengekomen.
Welk regime geldt, bepaalt de termijn. Zie het verschil tussen 290- en 230a-bedrijfsruimte.
Kan een huurovereenkomst voor 230a-bedrijfsruimte tussentijds worden opgezegd?
Bij 230a-bedrijfsruimte kent de wet geen opzeggingsgronden en geen minimumduur. Of tussentijdse opzegging mogelijk is, bepaalt de huurovereenkomst zelf. Staat er een breakoptie in, let dan op de vormvereisten voor de uitoefening ervan en op het moment waarop de mededeling de wederpartij moet hebben bereikt.
Wat de wet wel geeft is ontruimingsbescherming. De huurder kan verlenging van de ontruimingstermijn verzoeken binnen twee maanden na het tijdstip waartegen schriftelijk ontruiming is aangezegd. De rechter kan verlengen met ten hoogste een jaar, en dat nog tweemaal. Tegen die beschikking staat geen hogere voorziening open.
De kwalificatie is hier bepalend. Zie wanneer 230a-bedrijfsruimte van toepassing is.
Op welke gronden kan een verhuurder 290-bedrijfsruimte opzeggen?
Het stelsel van artikel 7:296 BW is gesloten en verschilt per fase. Tegen het einde van de eerste termijn geeft lid 1 twee gronden: de bedrijfsvoering van de huurder is niet geweest zoals een goed huurder betaamt, of de verhuurder wil het verhuurde persoonlijk en duurzaam in gebruik nemen en heeft het daartoe dringend nodig. Onder duurzaam gebruik valt ook renovatie die zonder beeindiging van de huur niet mogelijk is.
Vervreemding valt daar uitdrukkelijk niet onder, en de Hoge Raad heeft beslist dat opzegging om aan een derde te gaan verhuren evenmin persoonlijk duurzaam gebruik oplevert. Tegen het einde van latere termijnen komt op grond van lid 3 een redelijke belangenafweging erbij.
Gaat het u om een hogere huurprijs, dan is opzegging niet de route. Zie de huurprijsprocedure van artikel 7:303 BW.
Wat gebeurt er als de huurder niet instemt met de opzegging?
Op grond van artikel 7:295 lid 1 BW blijft een opgezegde huurovereenkomst van rechtswege van kracht totdat de rechter onherroepelijk over de beeindiging heeft beslist, tenzij de huurder schriftelijk instemt.
Heeft de verhuurder zes weken na de opzegging geen schriftelijke instemming ontvangen, dan kan hij op grond van lid 2 op de in de opzegging vermelde gronden vorderen dat de rechter het beeindigingstijdstip vaststelt. Blijft die vordering uit, dan is de huurovereenkomst niet geeindigd. Huurzaken worden door de kantonrechter behandeld, ongeacht het beloop van de vordering.
Voor de bredere procedurele context, zie burgerlijk procesrecht.
Lees ook over het bredere onderwerp
Vastgoedrecht →Verwante artikelen
Plan een eerste gesprek
We luisteren naar uw situatie en geven aan of, en hoe, wij u kunnen bijstaan.